Betekenis van:
afzetten

afzetten
Werkwoord
  • ''overdrachtelijk: zich ~ tegen'': zijn gedrag laten bepalen door de wens zich te willen onderscheiden van iemand anders
"Hij zet zich erg af tegen zijn ouders."
afzetten
Werkwoord
  • een weg voor alle verkeer blokkeren
"Vanwege werkzaamheden is de rechter baan van de A10 afgezet."
afzetten
Werkwoord
  • het sedimentatieproces waardoor lagen bezinksel ontstaan
"Deze laag is in het lias afgezet."
afzetten
Werkwoord
  • iemand met een voertuig naar een plaats brengen en daar snel laten uitstappen
"Kan ik je daar op de hoek afzetten?"
afzetten
Werkwoord
  • het leggen van eieren door vissen e.d
"Na een ingewikkeld paairitueel werden de eitjes op de waterplanten afgezet en door het mannetje bevrucht."
afzetten
Werkwoord
  • iemand te veel laten betalen voor iets
"We zijn echt afgezet door de straatverkoper."
afzetten
Werkwoord
  • erin slagen producten verkocht te krijgen
"Er werd veel in Duitsland afgezet."
afzetten
Werkwoord
  • het verwijderen van een deel van een lichaamsdeel
"Dat been moest afgezet worden."
afzetten
Werkwoord
  • uit een hoog ambt verwijderen
"De corrupte president werd afgezet."
afzetten
Werkwoord
  • van het hoofd, van de schouders enz. nemen
"een hoed/bril/feestneus afzetten"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

afzetten
Werkwoord
  • (een ruimte) ontoegankelijk maken
"een plein afzetten"

Hyperoniemen

afzetten
Werkwoord
  • uit zijn ambt ontzetten
"de regering afzetten"

Hyperoniemen

Hyponiemen

afzetten
Werkwoord
  • apparatuur uitschakelen
"Voor we weggaan wil ik nog even het koffiezetapparaat afzetten."
afzetten
Werkwoord
  • stoffen omboorden
"de mouwen van een blouse afzetten"
"en kroon met edelstenen afzetten"

Synoniemen

Hyperoniemen

afzetten
Werkwoord
  • iets dat op het hoofd gedragen wordt weer afnemen
"Hij heeft het masker afgezet."
afzetten
Werkwoord
  • buiten werking stellen
"de radio afzetten"

Synoniemen

Hyperoniemen

afzetten
Werkwoord
  • op de plaats van bestemming laten uitstappen
"iemand voor de deur afzetten"
"iemand thuis afzetten"

Synoniemen

Hyperoniemen

afzetten
Werkwoord
  • op afstand plaatsen
"een vuilnisbak ver van de deur afzetten"
"iets van zich afzetten"

Hyperoniemen

afzetten
Werkwoord
  • verkopen
"een partij goederen afzetten"
"heb je vandaag nog wat afgezet?"

Hyperoniemen

afzetten
Werkwoord
  • afduwen
"de boot afzetten"
"zich afzetten tegen de muur"

Hyperoniemen

afzetten
Werkwoord
  • neerslaan
"slib afzetten"
"sediment afzetten"

Hyperoniemen

afzetten
Werkwoord
  • ''zich ~'': veelal met de benen kracht op iets uitoefenen om weg te kunnen bewegen
"Hij zette zich niet voldoende sterk af en daarom mislukte de sprong."
afzetten
Werkwoord
  • (iem.) te veel laten betalen
"iemand flink afzetten"
"iemand voor een hoog bedrag afzetten"

Synoniemen

Hyperoniemen

afzetten
Werkwoord
  • de zoom of rand van een kledingstuk versieren
"De mouwen waren afgezet met kant."
afzetten
Werkwoord
  • een lichaamsdeel afzetten; amputeren
"een arm/been/voet afzetten"

Synoniemen

Hyperoniemen

afzetten
Werkwoord
  • door bakens of andere tekens de grenzen aangeven van
"een vaarwater met boeien afzetten"
"de contouren van een gebouw afzetten"

Synoniemen

Hyperoniemen

afzetten
Werkwoord
  • van wal steken

Hyperoniemen

afzetten
Werkwoord
  • zich verzetten tegen iem. of iets

Hyperoniemen

afzetten
Werkwoord
  • t.b.v. het onderscheid markeren

Hyperoniemen

afzetten
Werkwoord
  • zich afzetten voor een sprong

Hyperoniemen