Vertaling van goes

Inhoud:

Engels
Nederlands
to go, to be going to {ww.}
gaan 
zullen

he/she/it goes

hij/zij/het gaat
» meer vervoegingen van gaan

When you go to Romania, you will visit Dracula's Castle.
Wanneer jullie naar Roemenië gaan, zullen jullie het Kasteel van Dracula bezoeken.
This summer we'll go to the mountains and to the sea.
Deze zomer zullen we naar de bergen gaan en naar zee.
to go, to wend {ww.}
gaan 
lopen 
verlopen
van stapel lopen
zich begeven

he/she/it goes

hij/zij/het gaat
» meer vervoegingen van gaan

We must go.
We moeten gaan.
You have to go.
Je moet gaan.
to go, to ride, to travel, to drive {ww.}
gaan 
rijden
karren
varen 

he/she/it goes

hij/zij/het gaat
» meer vervoegingen van gaan

I don't want to drive.
Ik wil niet rijden.
Let's drive to the lake.
Laten we naar het meer rijden.

Voorbeelden in zinsverband

Engels
Nederlands

Life goes on.

Het leven gaat verder.

He goes to kindergarten.

Hij gaat naar de peuterschool.

He goes there every day.

Hij gaat daar elke dag naartoe.

What if something goes wrong?

Wat als er iets fout gaat?

My father sometimes goes abroad.

Mijn vader gaat soms naar het buitenland.

That goes over my head.

Daar kan ik met mijn verstand niet bij.

He seldom goes to church.

Hij gaat zelden naar de kerk.

The cow goes "moo," the rooster goes "cock-a-doodle-doo," the pig goes "oink, oink," the duck goes "quack, quack" and the cat goes "meow."

De koe zegt "boe", de haan zegt "kukelekuu", het varken zegt "knor", de eend zegt "kwak" en de kat zegt "miauw".

My father goes jogging every morning.

Mijn vader gaat elke ochtend joggen.

He goes to Karuizawa every year.

Hij gaat ieder jaar naar Karuizawa.

She usually goes to bed at nine.

Gewoonlijk gaat ze om negen uur slapen.

My father goes to work by bike.

Mijn vader gaat met de fiets naar zijn werk.

His brother goes to school by bus.

Zijn broer gaat met de bus naar school.

Mike goes to school by bus.

Mike gaat met de bus naar school.

My little sister goes to nursery school.

Mijn zusje gaat naar de kleuterschool.


Gerelateerd aan goes

go - be going to - wend - ride - travel - drive